Carved in Stone — Das Lied songtekst en vertaling

De pagina bevat de songtekst en de Nederlandse vertaling voor het nummer "Das Lied" van Carved in Stone.

Songteksten

Es fuhr ein Knecht hinaus zum Wald
Sein Bart war noch nicht flück
Er lief sich irr im Wunderwald
Und kam nicht mehr zurück
Das ganze Dorf zog nach ihm aus
Vom Früh- bis Abendrot
Doch fand man nirgends seine Spur
Da gab man ihn für tot
So flossen sieben Jahr' dahin
Doch eines Tages stand
Auf einmal wieder er vor’m Dorf
Und ging zum Brunnenrand
Man fragt' ihn, wer er sei
Und sah ihm fremd ins Angesicht;
Der Vater starb, die Mutter starb
Ein And’rer kannt' ihn nicht
«Vor Tagen hab ich mich verirrt
Ich war im Wunderwald
Dort kam ich recht zu einem Fest
Doch heim trieb man mich bald
Die Leute tragen güldnes Haar
Und eine Haut wie Schnee;
So heißen sie dort Sonn und Mond
So Berg und Tal und See."
Da lachten all: «In dieser Früh
Ist er nicht Weines voll!»
Sie gaben ihm das Vieh zur Hut
Und sagten, er sei toll
So trieb er täglich in das Feld
Und saß auf einem Stein;
Und sang bis in die tiefste Nacht
Und Niemand sorgte sein
Nur Kinder lauschten seinem Lied
Und saßen oft zur Seit'
Sie sangen’s, als er längst schon tot
Bis in die spät'ste Zeit

Songtekstvertaling

Een bediende ging naar het bos.
Zijn baard was nog niet vlekkerig.
Hij rende op een dwaalspoor in het bos der wonderen.
En kwam niet terug
Het hele dorp ging achter hem aan.
Van zonsopgang tot zonsondergang
Maar nergens werd zijn spoor gevonden.
Sinds ze hem voor dood gaven.
Dus zeven jaar stroomde weg
Maar op een dag
Opeens stond hij weer voor het dorp.
En ging naar de rand van de bron
Men vraagt hem wie hij is.
En keek hem vreemder aan.;
De vader stierf, de moeder stierf
Een ander kent hem niet.
"Dagen geleden was ik verdwaald
Ik was in het bos der wonderen.
Daar kwam ik recht op een vaste
Maar ze reden me snel naar huis.
Mensen dragen gouden haren
En een huid als sneeuw;
Zo worden ze daar zon en maan genoemd
Dus Berg En vallei en meer."
Toen lachte iedereen: "vanmorgen
Zit hij niet vol wijn?»
Ze gaven hem het vee om te bewaken.
En zei dat hij geweldig was.
Dus dreef hij dagelijks het veld in.
En zat op een steen;
En zong in de diepste nacht
En niemand gaf erom
Alleen kinderen luisterden naar zijn lied
En zat vaak op de Seit'
Ze zongen het toen hij al dood was.
Tot de laatste keer