Bert Jansch — Nottamun Town songtekst en vertaling

De pagina bevat de songtekst en de Nederlandse vertaling voor het nummer "Nottamun Town" van Bert Jansch.

Songteksten

In fair Nottamun town, not a soul would look up
Not a soul would look up, not a soul would look down
Not a soul would look up, not a soul would look down
To show me the way to fair Nottamun town
I rode a gray horse, a mule roany mare
Gray mane and gray tail, a green stripe down her back
Gray mane and gray tail, a green stripe down her back
There wasn’t a hair on her be-what was coal black
She stood so still, she threw me to the dirt
She tore -a my hide and she bruised my shirt
From saddle to stirrup I mounted again
And on my ten toes I rode over the plain
Met the king and the queen and a company more
A-riding behind and a-marching before
Came a stark-naked drummer, a-beating a drum
With his heels in his bosom come marching along
They laughed and they smiled, not a soul did look gay
They talked all the while, not a word they did say
I bought me a quart to drive gladness away
And to stifle the dust for it rained the whole day
Sat down on a hard, hot cold frozen stone
Ten thousand stood round me and yet I’s alone
Took my hat in my hand for to keep my head warm
Ten thousand got drowned that never was born

Songtekstvertaling

In Nottamun stad, zou niemand opkijken.
Niemand zou omhoog kijken, niemand zou naar beneden kijken.
Niemand zou omhoog kijken, niemand zou naar beneden kijken.
Om me de weg te wijzen naar Nottamun stad
Ik reed op een grijs paard, een mule roany mare
Grijze manen en grijze staart, een groene streep langs haar rug
Grijze manen en grijze staart, een groene streep langs haar rug
Er zat geen haar op haar lichaam.
Ze stond zo stil, ze gooide me in de modder.
Ze scheurde m 'n huid en ze heeft m' n hemd gekneusd.
Van zadel tot stijgbeugel ben ik weer gemonteerd
En op mijn tien tenen reed ik over de vlakte
Ontmoette de koning en de koningin en een gezelschap meer
A-rijden achter en A-marcheren voor
Kwam een poedelnaakte drummer, die op een drum sloeg.
Met z 'n hielen in z' n boezem.
Ze lachten en ze lachten, niemand zag er homo uit.
Ze praatten de hele tijd, geen woord dat ze zeiden.
Ik heb een kwartje gekocht om blijheid weg te drijven.
En om het stof te verstrooien, want het regende de hele dag.
Ging zitten op een harde, hete koude bevroren steen
Tienduizend stonden om me heen en toch ben ik alleen
Nam mijn hoed in mijn hand om mijn hoofd warm te houden
Tienduizend verdronken die nooit geboren waren.