Aesma Daeva — The Camp of Souls songtekst en vertaling

De pagina bevat de songtekst en de Nederlandse vertaling voor het nummer "The Camp of Souls" van Aesma Daeva.

Songteksten

My white canoe, like the silvery air
O’er the River of Death that darkly rolls
When the moons of the world are round and fair,
I paddle back from the 'Camp of Souls.'
When the wishton-wish in the low swamp grieves
Come the dark plumes of red 'Singing Leaves.'
Two hundred times have the moons of spring
Rolled over the bright bay’s azure breath
Since they decked me with plumes of an eagle’s wing,
And painted my face with the 'paint of death,'
And from their pipes o’er my corpse there broke
The solemn rings of the blue 'last smoke.'
Two hundred times have the wintry moons
Wrapped the dead earth in a blanket white;
Two hundred times have the wild sky loons
Shrieked in the flush of the golden light
Of the first sweet dawn, when the summer weaves
Her dusky wigwam of perfect leaves.
Two hundred moons of the falling leaf
Since they laid my bow in my dead right hand
And chanted above me the 'song of grief'
As I took my way to the spirit land;
Yet when the swallow the blue air cleaves
Come the dark plumes of red 'Singing Leaves.'
White are the wigwams in that far camp,
And the star-eyed deer on the plains are found;
No bitter marshes or tangled swamp
In the Manitou’s happy hunting-ground!
And the moon of summer forever rolls
Above the red men in their 'Camp of Souls.'
Blue are its lakes as the wild dove’s breast,
And their murmurs soft as her gentle note;
As the calm, large stars in the deep sky rest,
The yellow lilies upon them float;
And canoes, like flakes of the silvery snow,
Through the tall, rustling rice-beds come and go.
Green are its forests; no warrior wind
Rushes on war trail the dusk grove through,
With leaf-scalps of tall trees mourning behind;
But South Wind, heart friend of Great Manitou,
When ferns and leaves with cool dews are wet,
Bows flowery breaths from his red calumet.
Never upon them the white frosts lie,
Nor glow their green boughs with the 'paint of death';
Manitou smiles in the crystal sky,
Close breathing above them His life-strong breath;
And He speaks no more in fierce thunder sound,
So near is His happy hunting-ground.
Yet often I love, in my white canoe,
To come to the forests and camps of earth:
'Twas there death’s black arrow pierced me through;
'Twas there my red-browed mother gave me birth;
There I, in the light of a young man’s dawn,
Won the lily heart of dusk 'Springing Fawn.'
And love is a cord woven out of life,
And dyed in the red of the living heart;
And time is the hunter’s rusty knife,
That cannot cut the red strands apart:
And I sail from the spirit shore to scan
Where the weaving of that strong cord began.
But I may not come with a giftless hand,
So richly I pile, in my white canoe,
Flowers that bloom in the spirit land,
Immortal smiles of Great Manitou.
When I paddle back to the shores of earth
I scatter them over the white man’s hearth.
For love is the breath of the soul set free;
So I cross the river that darkly rolls,
That my spirit may whisper soft to thee
Of thine who wait in the 'Camp of Souls.'
When the bright day laughs, or the wan night grieves,
Come the dusky plumes of red 'Singing Leaves.'

Songtekstvertaling

Mijn witte kano, als de zilverkleurige lucht
O ' er de rivier van de dood die donker rolt
Wanneer de manen van de wereld rond en eerlijk zijn,
Ik peddel terug uit het kamp der Zielen.'
Als de wenselijke wens in het lage moeras rouwt
Daar komen de donkere pluimen van rode Zangbladeren.'
Tweehonderd keer hebben de manen van de lente
Rolde over de azuuradem van bright bay
Sinds ze me hebben geslagen met pluimen van een adelaars vleugel.,
En schilderde mijn gezicht met de verf van de dood,
En van hun pijpen brak mijn lijk.
De plechtige ringen van de laatste rook van de blauwe.'
200 keer hebben de wintry manen
Wikkelde de dode aarde in een witte deken;
Tweehonderd keer hebben de Wild sky loons
Gilde in de flush van het gouden licht
Van de eerste zoete dageraad, wanneer de zomer weeft
Haar donkere wigwam van perfecte bladeren.
Tweehonderd manen van het vallende blad
Sinds ze mijn boog in mijn dode rechterhand hebben gelegd
En zong boven me het 'lied van verdriet'
Toen ik mijn weg nam naar het geestenland;
Maar als de zwaluw de blauwe lucht splitst
Daar komen de donkere pluimen van rode Zangbladeren.'
White are the wigwams in that far camp,
En de sterogige herten op de vlakten worden gevonden;
Geen bittere moerassen of verwarde moerassen.
In de Manitou ' s Gelukkige jachtgebied!
And the moon of summer forever rolls
Boven de rode mannen in hun kamp der Zielen.'
Blauw zijn de meren als de borst van de wilde duif,
En hun gemompel zacht als haar zachte noot;
Als de kalme, grote sterren in de diepe hemel rusten,
De gele lelies op hen drijven;
En kano ' s, als vlokken van de zilveren sneeuw,
Door de lange, ritselende rijstbedden komen en gaan.
Groen zijn zijn bossen; geen warrior wind
Raast op oorlogspad het schemerbos door,
Met blad scalpen van hoge bomen die rouwen achter;
Maar Zuidenwind, hartvriend van grote Manitou,
Wanneer varens en bladeren met koele dagen nat zijn,
Bogen bloemige ademhalingen uit zijn rode calumet.
Over hen liegen de witte niet.,
Noch gloeien hun groene takken met de 'verf van de dood';
Manitou lacht in de kristallen hemel,
Dichtbij ademen boven hen zijn levenskrachtige adem;
En hij spreekt niet meer in fel thunder sound,
Zo dichtbij is zijn gelukkige jachtgebied.
Maar vaak hou ik van, in mijn witte kano,
Om naar de bossen en kampen van de aarde te komen:
'Het was daar de dood' s black arrow doorboorde me door;
Daar beviel m ' n roodharige moeder van me.;
Daar ben ik, in het licht van de dageraad van een jonge man,
Won het lelie hart van de schemering springende Fawn.'
En liefde is een koord geweven uit het leven,
En gekleurd in het rood van het levende hart;
En tijd is het roestige mes van de jager.,
Dat kan de rode strengen niet uit elkaar halen:
En ik zeil van de spirit shore om te scannen
Waar het weven van dat sterke koord begon.
Maar ik mag niet komen met een giftloze hand,
Zo rijk stapel ik, in mijn witte kano,
Bloemen die bloeien in de geestenwereld,
Onsterfelijke glimlach van grote Manitou.
Als ik terug peddel naar de oevers van de aarde
Ik verstrooi ze over de haard van de blanke man.
Want liefde is de adem van de ziel bevrijd;
Dus steek ik de rivier over die donker rolt,
Dat mijn geest zacht naar u zal fluisteren
Van jullie die wachten in het kamp der Zielen.'
Als de heldere dag lacht, of de wan-nacht rouwt,
Kom de donkere pluimen van rode Zangbladeren.'